caren

13 april 2015

Je eigen smaak – moeten, mogen of durven?

'Dat je dat dúrft!'

                               ‘Dat je dat dúrft!’

Ik beken: mijn vloer is rood, mijn bank is meestal paars of knalroze (verwisselbare hoezen), en mijn keukenkast is rood, paars en oranje. Rood, en alle afgeleiden daarvan, zijn mijn lievelingskleuren.

Heel wat mensen die bij mij op bezoek komen, zeggen: ‘Dat je dat durft!’
‘Dat ik wát durf?’
‘Nou, die kleuren! Mooi hoor, maar dat je dat durft!’
‘Er gaan nochtans maanden voorbij dat ik niet door mijn paarse bank word gebeten,’ zeg ik dan meestal.

Dit soort gesprekjes zette mij aan het denken, en ik ging eens goed opletten. Op jonge stelletjes in meubelzaken, bijvoorbeeld. Leuk, dacht ik. Die richten samen een huisje in. Maar vreemd genoeg keken ze niet blij. Eerder wat zorgelijk en somber. Dankzij mijn scherpe oren had ik het geheim snel ontdekt: de voordeurdelers in spe worstelden niet met hun eigen smaak, maar met die van de tijdgeest. De vraag was niet wat ze wílden kopen, maar wat ze móésten of móchten kopen. Of, zoals mijn bezoekers zouden zeggen: wat ze dúrfden te kopen. Als Jan des Bouvrie het niet persoonlijk heeft goedgekeurd, wordt het bijvoorbeeld al een twijfelgevalletje.

Denk je dat ik overdrijf? Mooi niet!

In een ver verleden heb ik het eens in mijn hoofd gehaald om mij helemaal in de kleuren magenta en blauw te hullen. Ik droeg een roze-met-blauwe jurk, en in mijn haar had ik twee lokken laten verven in de kleuren… je raadt het al. De nagels van mijn ene hand waren knalroze gelakt, de nagels van mijn andere hand blauw. Het kon niemand ontgaan dat ik expres voor deze kleuren gekozen had, en niemand kon ook maar één seconde denken dat ik ’s ochtends per ongeluk in één blauwe en één roze schoen was gestapt. Zelfde merk, zelfde model, maar andere kleuren. Mijn hemel, wat een reacties! Ik werd op straat uitgemaakt voor alles wat mooi en lelijk was. Automobilisten stopten midden op de weg om mij uitgebreid uit te schelden. Waarom? Omdat ik twee verschillend gekleurde schoenen droeg, zonder dat mij dat door de een of andere overbetaalde malloot in Parijs was bevolen. Ik deed dus iets wat niet mócht. Hoe dúrfde ik!

En wat denk je van pluchen handboeien? Menigeen ligt tegenwoordig regelmatig vastgeketend aan de verwarmingsbuis (al dan niet in de speciaal verbouwde kelder) verlekkerd te wachten op het klappen van het zweepje. Waarom? Wordt de wereld geteisterd door een uitbraak van het SM-virus? Welnee, natuurlijk niet! Er zijn waarschijnlijk precies even veel SM’ers als vóór de hausse rond Fifty Shades of Grey. Maar nu mag het allemaal ineens. Het is goedgekeurd.

Mijn diepste aanval van somberheid kreeg ik bij de Late Rembrandt. The Late Rembrandt, zoals er zo fraai in het Engels bij staat. Dat is dan nog wel aardig, want  het Engelse ‘late’ betekent ook ‘overleden’. Daar was dus geen gelogen woord bij. Wat ik zag, schokte me diep. Niemand keek naar de schilderijen. Iedereen liep op zijn of haar schermpje te turen, iPads, smartphones, tablets… alles was interessanter dan die klodders verf aan de muren. Nou ja, behalve als je een selfie wilde maken met the Late himself op de achtergrond. Dan was de meester, voor de duur van de opname, ineens wel belangrijk. Je moest immers laten zien dat je er geweest was.

Ik keek eens voorzichtig naar de schermpjes om me heen, en zag daar precies dezelfde schilderijen als in de zaal. Maar omdat de een of andere BN’er er teksten bij had ingesproken, en er zo zijn goedkeuring aan had gegeven, waren de elektronische plaatjes blijkbaar interessanter dan dat saaie geklodder.

Later vertelde ik dat aan een vriendin. Iemand die – dat moet je even weten – nooit een boek gelezen heeft, en ook niet van plan is daar verandering in te brengen. Ze verafschuwt boeken. Schilderijen trouwens ook. Ik raadde haar van harte af om The Late Rembrandt te bezoeken, maar tot mijn verbazing was ze juist van plan te gaan. Ondanks haar afkeer van schilderijen.

‘Waarom?’ vroeg ik.
‘Nou, ik vind gewoon dat je dat gezien moet hebben.’

Mijn gedachten stokten even. Toen begreep ik het. Het ging haar niet om de schilderijen, maar om het ‘feit’ dat je ze gezien móét hebben! Heel BN’nend Nederland heeft er immers zijn zegen over uitgesproken, van onze kunstminnende Joost Z. tot de geelgebroekte Dries R., neem ik aan. Tja, en dan moet je wel, hè?

Er welde een golf puur venijn in me op. Ik wees naar een boekenplank achter haar, en zei: ‘Daar staan de werken van Vondel. Zo’n beetje uit dezelfde tijd als Rembrandt, trouwens. En ik vind eigenlijk wel dat je die gelezen moet hebben.’

Dat laatste klonk – ik weet het zeker – behoorlijk vals. Dat kwam onder andere doordat ik jaren geleden De Gijsbrecht in geen enkele boekhandel had kunnen vinden. Ik had hem noodgedwongen via internet gekocht. Kun je je een goeie Engelse boekhandel voorstellen zonder Shakespeare? Nee, natuurlijk niet. Maar hier is dat anders. Wij hebben niks met ouwe troep.
Behalve als er een BN’er aan te pas komt. Of als er een gehypte bestseller over is verschenen. Of als Jan des Bouvrie vindt dat de kaft zo leuk bij je interieur kleurt.

Dan mag je het consumeren. Of nee: dan móét je het consumeren. Je zou niet anders durven. Behalve als je je eigen smaak hebt.



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *