mirjam

8 juli 2014

Een dubbele bodem in de taal

Vrijdagochtend lag dit gedicht van K. Schippers in mijn digitale brievenbus:

Beginselen

Hoeveel dozen gezien voor ik
aan een doos dacht,
aan een deksel, een inhoud,
drie, zeven?

Hoeveel kasten voor ik een
deur openmaakte, een schoen
pakte, de stof van een jas
tegen mijn wangen drukte,
vijf, acht?

Hoeveel moest ik optellen om
tot een woord te komen,
hoeveel moest ik zien voor
de ene kast de andere
in zich opnam?

Na hoe vaak wordt veel weinig?

K. Schippers (1936)
uit: Fijn dat u luistert (2014)

Prachtig, deze poëtische beschrijving van hoe een deel van de taalverwerving werkt: van concrete ervaringen die op elkaar lijken vormen de hersenen zich een soort sjabloon. Als peuter ontdek je de kledingkast, de speelgoedkast, de keukenkast. Al die kast-ervaringen vallen over elkaar heen en vormen zich tot het begrip ‘kast’. Hoe verschillend de kasten ook zijn die je daarna in je leven tegenkomt, ze passen allemaal in het sjabloon ‘kast’. Ook het medicijnkastje en de trapkast.

Grappig vind ik dat Schippers eigenlijk ook de omgekeerde weg beschrijft: hoe het abstracte woord ‘kast’ concrete beelden en emoties oproept in je brein. Ik ruik de schoenen, voel de zachte warmte van de jas in de kast van Schippers. Mijn eigen ‘kast’ bevat stapels keurig gestreken en gevouwen lakens, en een laag, schuin houten plafond waaronder ik moet wegkruipen om bij mijn kniekousen te kunnen.

Maar de slotvraag van K. Schippers blijft me bezighouden: “Na hoe vaak wordt veel weinig?” Ik kan me niet voorstellen dat Schippers echt wil weten hoeveel ervaringen je nodig hebt om een min of meer abstract idee van ‘kast’ te ontwikkelen. Maar wat dan wel?

Ik luister, K., maar ik versta je nog niet helemaal.

[Elke dag ontvang ik per e-mail een gedicht. Wil je dat ook? Je kunt je aanmelden op de site van het Laurens Jz. Coster – project.]

 

 

 



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *